Kansrekenen tijdens de transitie

Slepende melkziekte is veelal onzichtbaar (subklinisch), maar heeft zeer nadelige gevolgen voor de gezondheid van de koe, de vruchtbaarheid en de melkproductie. Gemiddeld heeft elk bedrijf 30 procent koeien die ketose ervaren. Wat dit concreet betekent en wat u eraan kunt doen, leest u in dit artikel.

Zelfs onder optimale bedrijfsomstandigheden lijdt gemiddeld 30 procent van de gekalfde koeien op een bedrijf aan slepende melkziekte. Dit komt doordat hun drogestofopname al vroeg vóór afkalven afneemt. Koeien vanaf een derde kalving hebben daarbij tot twee keer zoveel kans op ketose als jongere dieren.

Gevolgen voor de risicodieren 

Risicodieren hebben twee keer meer kans op nageboorteproblemen, drie keer meer kans op baarmoederontsteking, zes keer meer kans op cysteuze eierstokken en drie tot zelfs acht keer meer kans op een lebmaagverplaatsing.
Koeien met ketose geven tot 300 kg minder melk en vaarzen zelfs tot 500 kg minder. Hun melk bevat minder eiwit en meer vet. Gemiddeld hebben ze 22 dagen extra nodig om tochtig te worden en vermindert de kans om drachtig te worden bij de eerste inseminatie met 20 procent.

Minder transitieproblemen en betere opstart

Slepende melkziekte is voor het grootste deel een onzichtbare ziekte, maar heeft dus een grote impact en vergroot de kans dat dieren vroegtijdig het bedrijf verlaten. En dat staat haaks op het streven te boeren met minder jongvee en vervanging.
Door hoogrisicokoeien, zoals koeien vanaf de derde kalving, preventief te behandelen, zorgt u voor minder transitieproblemen en een betere opstart en benut u beter hun melkpotentieel.