Koeien coachen om hun melkpotentieel te halen, hoe doe je dat?

De start van de lactatie is ware topsport voor een melkkoe. Als je koeien vlot door die eerste weken kunt coachen, bereiken ze de top van hun potentieel. Toch blijven veel koeien in de subtop steken, niet omdat ze niet goed genoeg zijn, maar doordat subklinische ziektes ze ongemerkt laten onderpresteren.

Wetenschappers schatten in dat 30 tot 50 procent van de dieren tijdens de transitie stofwisselings-en infectieziekten doormaken.

Een van de boosdoeners is subklinische ketose, een stofwisselingsziekte die helaas vaak pas wordt opgemerkt in de eerste drie weken na afkalven, wanneer in bloed, melk of urine te veel ketonen worden gemeten. Subklinische ketose kost, naast een grote kans op andere ziekten en een verminderde vruchtbaarheid, gemiddeld 300 kg tot 500 kg melk per lactatie. 

Subklinische ketose is bepaald geen zeldzaamheid; in Nederland komt het gemiddeld bij 30 procent van de koeien voor en vanaf de derde kalving neemt de kans nog aanzienlijk toe. Deze dieren lopen namelijk tot twee keer meer risico. 

Vier kernpunten 

Het goede nieuws is dat steeds meer veehouders in staat blijken om subklinische ketose te voorkomen en het potentieel uit hun koeien te halen, mits ze zich houden aan de volgende vier kernpunten:

  1. Op de norm voeren. Het voer moet beschikbaar, bereikbaar en vers zijn en dusdanig korte delen bevatten dat selectie wordt voorkomen.
  2. De huisvesting moet comfortabel zijn en voldoende ruim zijn. Dat betekent een vreetruimte van 75 cm per dier, meer ligboxen dan koeien, beschikbaarheid over lekker water (10 cm per koe en minstens twee waterpunten) en geen doodlopende gangen.
  3. Stress moet worden vermeden door minimale groepswijzigingen (maximaal 1 x per week) en hittestressbestrijding door middel van ventilatie, ventilatoren, een geïsoleerd dak en eventueel sprinklers.
  4. Koeien moeten vanaf de derde kalving worden ondersteund met preventieve diergeneesmiddelen om ketose te voorkomen. Dit geldt ook voor jongere dieren die te vet zijn of die in de vorige lactatie ziek zijn geweest.