Preventie boven behandeling bij slepende melkziekte

Slepende melkziekte treedt meestal op in de eerste 3 weken na afkalven. Áls het optreedt, zijn er verschillende curatieve behandelingen. Maar vooral bij risicodieren is het zaak de problemen voor te zijn. Preventie dus! Een preventieve pensbolus kan de koe daar goed bij helpen.

Koeien met slepende melkziekte of ketose hebben een te hoog aandeel ketonlichamen in het bloed door een te diepe negatieve energiebalans. Dit treedt meestal op in de eerste 3 weken na afkalven. Een stijging van het aantal Keto-testenTM  in 2018 laat zien dat steeds meer veehouders elke koe testen na afkalven op deze verborgen, maar schadelijke ziekte. Een andere methode is via het bloed of urine. En als je dan je koeien met slepende melkziekte in beeld hebt, wat kun je dan het beste doen?

We zetten de 3 verschillende curatieve behandelmogelijkheden op een rij:

  1. Producten waaruit glucose kan gevormd worden in de lever: propyleenglycol, glycerol en propionzuur zijn daar voorbeelden van. Deze kunnen worden toegediend als drench, als topdressing over het rantsoen of gemengd door het rantsoen of in de brok. De beste werkzaamheid gaat uit van drenchen met propyleenglycol wanneer 1 x daags 300 ml wordt toegediend gedurende 5 dagen. Hierbij wordt niet alleen glucose aangemaakt in de lever, maar wordt ook minder vet afgebroken. Geeft een test op ketonen na 5 dagen nog steeds een te hoge waarde aan, dan is het zaak de therapie te herhalen. Het toedienen van deze producten zorgt ervoor dat koeien minder langdurig slepende melkziekte ervaren.
  2. Glucose-infusen: glucosetoediening door de dierenarts voorziet de koe van brandstof en laat tegelijkertijd insuline stijgen. Dat remt de vetafbraak en verlaagt de ketonen in het bloed gedurende maximaal 24 uur. Dat betekent dat de therapie een aantal keer herhaald moet worden of dat er opvolging moet plaatsvinden met bovengenoemde drenchtherapieën.
  3. Glucocorticoïden per injectie is de minst aangewezen optie: hierbij krijgt de koe een stijging van glucose in het bloed door een herverdeling daarvan in het lichaam, maar niet door extra aanmaak van glucose in de lever. Vet en eiwitafbraak worden echter niet verhinderd en mogelijk zelf gestimuleerd. Een bijkomend negatief effect op weerstand en een mogelijk negatieve invloed op vruchtbaarheid leiden ertoe dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen.

Curatief behandelen is echter niet zaligmakend en ook is er al de nodige schade geleden.

Preventief werken voorkomt de problemen

Al met al is geen van bovenstaande behandelingen zaligmakend. Ze bekorten hooguit de periode van subklinische ketose, zijn vaak tijdrovend en bezorgen koeien en veehouders niet echt favoriete momenten.
Steeds meer veehouders zien daarom het belang van preventie.

Preventie start al in de voorbereiding naar het afkalven. Transitiekoeien dienen in alle opzichten (voeding, management en stressreductie) aandacht te krijgen. Risicodieren (koeien vanaf de derde kalving, dieren met een conditie boven de 3,5 en dieren die vorige lactatie ziek waren) hebben een verhoogde kans op het krijgen van ketose.

Bij deze dieren kan (subklinische) ketose voorkomen worden met behulp van een preventieve pensbolus. Het aloude spreekwoord ‘voorkomen is beter dan genezen’ is nog steeds een waarheid als een koe’.