‘Zuivel zaagt aan poten draagvlak KoeKompas’

‘Het inbouwen van een aantal onpraktische en soms ook onzinnige controlepunten in KoeKompas ondermijnt het draagvlak voor dit in de basis goede diergezondheidsplan.’ Dat stelt dierenarts Bart Jansen (45) van Dierenkliniek Meerkerk. Hij roept de zuivelindustrie op om KoeKompas vooral praktisch te houden.

Begrijp hem niet verkeerd. Dierenarts Bart Jansen is een groot voorstander van KoeKompas. Ook denkt hij dat het plan van de zuivel om KoeKompas breed uit te rollen over de melkveebedrijven positief kan uitpakken. ‘Maar juist omdat het breder wordt uitgerold, is het ook zaak om de boel een beetje praktisch en werkbaar te houden. En dat schort er hier en daar toch aan.’

Jansen maakt samen met en voor melkveehouders uit zijn praktijk in West-Nederland jaarlijks tussen de 40 en 50 diergezondheidsplannen. Dit varieert van een individueel plan van aanpak voor bijvoorbeeld een celgetalprobleem tot de sinds 2012 verplichte bedrijfsgezondheidsplannen (BGP’s). Het inmiddels door bijna alle zuivelondernemingen toegepaste KoeKompas lijkt het BGP langzaam maar zeker te gaan vervangen. ‘Ruwweg kun je stellen dat de helft van onze melkveehouders jaarlijks een BGP maakt en dat de andere helft meedoet aan KoeKompas.’

Welk systeem heeft uw voorkeur?

‘Duidelijk KoeKompas. Het BGP was destijds een goede aanzet tot meer bewustwording, maar heeft zich niet doorontwikkeld en is daardoor weinig meer dan een redelijk vrijblijvend lijstje van standaardeisen, dat vooral terugkijkt op een afgelopen periode. In KoeKompas kijken veehouder en dierenarts samen naar voeding en water, huisvesting, dierwelzijn, melken, werkroutines, jongveeopfok en diergezondheid. Het is een managementinstrument dat met een risicoanalyse de sterke en zwakke punten toont en laat zien waar verbeterstappen gezet kunnen worden. KoeKompas is vooral vooruitkijken en heeft daardoor veel meer een preventief karakter. Ik schat dan ook in dat het BGP zijn langste tijd heeft gehad.’

Waar moet een goed diergezondheidsplan aan voldoen?

‘Voor een goede terugkoppeling naar de veehouder moet er een duidelijke input zijn van zowel de melkveehouder als de dierenarts. Dat maakt een attribuut als KoeKompas tot een zinvol instrument om risico’s op een melkveebedrijf in te schatten en te voorkomen. De zuivel wil naar haar afnemers toe echter vooral pronken met goede scores en fietst nu allerlei extra eisen in het KoeKompas. Er worden nu controlepunten ingebouwd die praktisch slecht uitvoerbaar of soms zelfs onzinnig zijn.’

Noem eens een voorbeeld van eisen die er niet in thuishoren.

‘Een onzinnig punt vind ik het vermelden van de attentiekoeien. Dit was altijd onderdeel van het Periodieke BedrijfsBezoek (PBB). Dat is nu verwerkt in KoeKompas. Maar wat is het nut van het vermelden van twee koeien met uierontsteking? Of geen enkele? Het zegt weinig over de uiergezondheidssituatie op het bedrijf.’ 

Zijn er nog meer voorbeelden?

‘Neem de recent toegevoegde welzijnsmonitor. Die hoort in mijn optiek helemaal niet thuis in KoeKompas. Onderdeel is bijvoorbeeld de lengte van de boxen. Zolang de koeien makkelijk opstaan en gaan liggen, interesseert het mij niet of die box 2,20 of 2,25 meter is. Het gaat erom dat de huisvesting goed bij het koppel past. Minpuntjes op details zeggen weinig over hoe een melkveehouder met z’n dieren omgaat. Als centimeters belangrijker worden dan hoofdlijnen, zijn we verkeerd bezig. Ook wil ik weidegang niet beoordelen naar het aantal dagen en dat de koeien buiten lopen, maar zien in het licht van de weersomstandigheden en de huisvesting die ze hebben als ze niet buiten lopen. Nu dreigt de veearts een politieagent te worden, die opschrijft wat de veehouder niet goed doet.’

Wat betekent dit voor het draagvlak voor diergezondheidsplannen?

‘Het is ongetwijfeld niet zo bedoeld, maar de zuivel zaagt op deze manier wel aan de poten van het draagvlak van KoeKompas. In de eerste jaren was er bij boeren toch al het nodige wantrouwen, BGP en KoeKompas voelden heel erg als een controle. De laatste paar jaar begon dat, vooral dankzij de aanpak binnen KoeKompas, te veranderen. De rol van de dierenarts als gespreks- en sparringpartner in plaats van controleur won aan terrein. Nu de zuivel controlepunten inbouwt in KoeKompas, komt er druk op de vertrouwensrelatie tussen veehouder en dierenarts.’

De zuivel schroeft de eisen voor wat betreft gezondheidsbewaking en gezondheidsplannen dus steeds verder op. Als je hun mocht adviseren, wat zou je ze dan meegeven?

‘De zuivel wil graag flinke stappen maken en dat is heel begrijpelijk. Dierenartsen zijn de aangewezen partij om het gesprek met de melkveehouder aan te gaan. Maar we moeten er niet naartoe dat dierenartsen politieagenten worden. Het leidt ertoe dat veehouders informatie gaan achterhouden. Wie blijft er dan nog over om misstanden bespreekbaar te maken? Daarom zou het goed zijn dat de zuivel meer de dialoog met de werkvloer zoekt. Mijn advies is om KoeKompas terug te brengen naar de oorspronkelijke vorm: een risicoanalyse gericht op de toekomst.’

Je hebt al wat jaartjes ervaring met verschillende diergezondheidssystemen. Wat doe je nu anders bij het opstellen van de huidige diergezondheidsplannen en de daaraan gekoppelde evaluaties, vergeleken met de beginjaren?

‘In het begin was het vooral een analyse van bedrijfsgegevens aan de keukentafel. De moderne diergezondheidsplannen dienen in mijn ogen juist vooral tot stand te komen middels een rondgang over het bedrijf, samen met de melkveehouder. Zien, voelen en ruiken, dat is de manier om én draagvlak te creëren én de aanpak vooral praktisch te houden.’

Op welke onderdelen zie je de meeste verbetermogelijkheden op melkveebedrijven?

‘De focus ligt van oudsher vooral op lacterende koeien. Daar komt immers direct het inkomen uit. Gelukkig zien we dat er de laatste jaren grote vorderingen zijn gemaakt om ook de opfok en droogstand kritisch onder de loep te nemen. Dat is een goede ontwikkeling.’

Wat mag een veehouder van zijn dierenarts verwachten als het gaat om het opstellen van BGP of KoeKompas?

‘Een correcte uitvoering en een onderbouwde uitleg van waarom er op bepaalde punten iets wordt gescoord. De meerwaarde zit hem vooral in de rondgang over het bedrijf, samen met de melkveehouder. De scores dienen als handvatten om het bedrijf naar een hoger plan te tillen. Verder probeer ik me als veearts te richten op zaken die de aandacht van de veehouder hebben. Dus probeer ik vooral goed te luisteren. We hebben als dierenartsen te vaak de neiging om onze kennis te spuien. Maar weten we wel zeker dat dit is over zaken die de veehouder hoog op het lijstje heeft staan?’

Zie je ook een rol voor andere adviseurs bij de bespreking van diergezondheidsplannen?

‘Ik denk dat KoeKompas of BGP een prima aanleiding kan zijn om zaken te signaleren. Deze kunnen in een later stadium leiden tot een afspraak met een andere erfbetreder.’

Leiden diergezondheidsplannen tot een betere diergezondheid?

‘De successen laten zich niet altijd even makkelijk meten. Worden de boxen anders ingestrooid omdat we het daarover hebben gehad? Ik word wel eens meegenomen naar de stal waarop de veehouder blij zegt: “Kijk, een nieuw voerhek, dat wilde je toch zo graag?” Natuurlijk weten ze wel dat het ook beter is voor de koeien, maar ze laten zo ook weten dat onze adviezen niet in de wind worden geslagen. Je bespreekt zaken die anders niet aan bod komen en hebt zo invloed op de prioriteitenlijst van de veehouder. Dat is winst.’

Wat zou je veehouders adviseren als ze het diergezondheidsplan met hun dierenarts gaan opstellen?

‘Heb voor jezelf helder waar je over vijf jaar wilt staan en welke zaken je bezighouden. Dat is niet per se op het gebied van dierziekten. Je kunt van alles bedenken, maar koeien kun je niet pushen om ze in korte tijd 1000 liter melk meer te laten geven. Dat lukt alleen als je ze op alle fronten in de watten legt. Een koe moet je verleiden om melk te geven.’

Melkveehouder Peter Kloek aan het woord

Melkveehouder Peter Kloek vertelt: ‘Bij het uitvoeren van het KoeKompas werd ik erop geattendeerd dat de kalveren tot een maand of vijf beter op stro gehouden konden worden. Bij mij kwamen ze al op jongere leeftijd in een kalverhok met ligboxen en een roostervloer en daar had ik eigenlijk weinig klachten over. Toch heb ik nu een groot strohok gemaakt. Ze lopen nu minder risico op bijvoorbeeld luchtwegklachten. Als het goed is, leidt dat tot een snellere groei.’